NL EN
Commissarissenonderzoek

Onderzoeksopzet

Aan het 2014/2015 onderzoek hebben 216 commissarissen meegedaan en 5 secretarissen die geen commissaris zijn. In totaal zijn er dus 221 vragenlijsten ingevuld waarvan 60 via een face to face interview. De resterende web-based vragenlijsten zijn voornamelijk ingevuld door FINEM leden, commissarissen die aan de eerdere onderzoeken hebben deelgenomen, NCD leden, VTW leden en alumni van de Governance University.

Het aantal in 2014/2015 is historisch hoog. Aan het 2013/2014 onderzoek deden 134 commissarissen en 23 secretarissen mee, waarvan 62 via een face to face interview.

Basisprofiel

Ten behoeve van de analyse is een basisprofiel van de commissaris onderscheiden en een aantal variaties daarop. Het basisprofiel is als volgt gedefinieerd:

  • is toezichthouder bij een genoteerde onderneming;
  • is een gewoon RvC-lid of overig toezichthouder (RvT bijvoorbeeld) en geen voorzitter;
  • heeft geen zitting in een RvB elders;
  • is ouder dan 55 jaar;
  • is man; en
  • is geen lid van een auditcommissie binnen een RvC.

Bij de variaties worden bijvoorbeeld onderscheiden: de niet-genoteerde bedrijven, de coöperatie, een stichting, een familiebedrijf, een commissaris tevens lid van een RvB, de jonge commissaris, de vrouwelijke commissaris en de commissaris tevens lid auditcommissie.

In de vraagstelling is doorgaans een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de wenselijke situatie of tussen de huidige kwaliteit en het toekomstige belang.

Regressieanalyse

De resultaten zijn geanalyseerd met behulp van een regressieanalyse. Het voordeel hiervan is tweeledig: het kunnen schatten van scores voor een gekozen profiel zonder dat er veel respondenten aan de exacte profielbeschrijving hoeven te voldoen. Geen van de 221 respondenten voldoet exact aan het basisprofiel. Maar er zijn wel veel respondenten die misschien op één variatie na voldoen aan het basisprofiel. Ander voordeel, het kunnen scheiden van de invloeden van diverse variaties. Bijvoorbeeld, wanneer gemiddelde scores van genoteerde ondernemingen worden vergeleken met die van niet-genoteerde bedrijven is het de vraag of de verschillen toe te schrijven zijn aan het niet-genoteerd zijn of dat het ligt aan de gemiddeld kleinere omvang van de niet-genoteerde bedrijven.