Arbeidsrecht

De beëindiging van het slapende dienstverband

Bert Boermans Bert Boermans

Een werkgever is in principe verplicht om, op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een ‘slapend dienstverband’ te beëindigen onder betaling van de wettelijke transitievergoeding. De Hoge Raad bepaalde onlangs dat die vergoeding dan niet meer hoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst kan (doen) beëindigen wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Lees hoe de Rechtbank Noord-Holland vervolgens invulling geeft aan wat verstaan moet worden onder “de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen”.

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 23 december 2019 een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat een werknemer toch aanspraak kan maken op een transitievergoeding hoewel de einde wachttijd (2 jaar na de eerste ziektedag) voor 1 juli 2015 lag (datum waarop de transitievergoeding geïntroduceerd is).

De Hoge Raad heeft op 8 november 2019 beslist dat een werkgever gehouden is mee te werken aan het verzoek van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst na verloop van twee jaar ziekte. De werkgever is dan gehouden de werknemer de transitievergoeding te betalen waarop hij volgens de wettelijke regels recht heeft. Die vergoeding hoeft dan niet meer te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst kan (doen) beëindigen wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

De Kantonrechter geeft in deze zaak invulling aan wat verstaan moet worden onder “de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen”.

Wat is de situatie? 

Werkneemster is sinds 2001 voor 25-30% arbeidsongeschikt. Met ingang van 7 januari 2013 neemt de arbeidsongeschiktheid van werkneemster toe. Bij besluit van het UWV van 26 januari 2015 is de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster per 5 januari 2015 vastgesteld op 80-100%. Omdat volgens de verzekeringsarts, na een in februari 2015 uit te voeren operatie, een aanzienlijk herstel van de arbeidsmogelijkheden werd verwacht, is een herbeoordeling na zes maanden voorzien.

Vanaf 26 januari 2015 heeft werkneemster passende werkzaamheden voor werkgever verricht uit hoofde van haar re-integratie.

Bij besluit van 14 maart 2017 heeft het UWV uiteindelijk de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%. Vastgesteld is dat werkneemster per 5 januari 2015 (einde wachttijd) op geen enkele wijze belastbaar is te achten, ook niet in de toekomst.

Vanaf 14 maart 2017 heeft werkgever werkneemster niet meer opgeroepen voor werkzaamheden en heeft hij in een brief van 19 mei 2017 werkneemster medegedeeld dat het dienstverband niet wordt beëindigd en er geen aanspraak meer bestaat op (aanvullende) loonbetaling. In juli 2017 heeft een eindafrekening plaatsgevonden.

Waarschijnlijk in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad heeft werkneemster op 21 november 2019 de werkgever verzocht haar dienstverband te beëindigen met wederzijds goedvinden, onder uitbetaling van de haar toekomende wettelijke transitievergoeding ten belope van een bedrag van € 81.000,-- (bruto).

Werkgever heeft in reactie op dit verzoek, op 2 december 2019 te kennen gegeven dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een transitievergoeding. Op het moment van einde wachttijd (5 januari 2015) bestond de transitievergoedingsregeling nog niet en heeft zij geen recht op een transitievergoeding.

Kantonrechter

De Kantonrechter volgt werkgever niet in de stelling dat het dienstverband feitelijk reeds per einde wachttijd (5 januari 2015) beëindigd had kunnen worden. De Kantonrechter baseert dit mede op het feit dat werkneemster na 26 januari 2015 passende werkzaamheden heeft verricht en getracht is haar te re-integreren. Dat de pogingen tot re-integratie en hervatting van (aangepaste) werkzaamheden achteraf tevergeefs bleken te zijn en het verwachte resultaat van operaties uiteindelijk uitbleef, doet aan het voorgaande niet af.

De Kantonrechter stelt dat eerst op 14 maart 2017, toen het UWV had besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster ongewijzigd 80 tot 100% bleef, is voldaan aan de vereisten voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Pas vanaf dat moment stond vast dat er binnen 26 weken geen herstel zou optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kon worden verricht. Eerst vanaf 14 maart 2017 kon werkgever rechtsgeldig de arbeidsovereenkomst beëindigen en niet vanaf 5 januari 2015 zoals werkgever stelde.

De Kantonrechter wijst de vordering van de werkneemster toe.

Volgens de Kantonrechter is dus niet het einde van de twee jaar wachttijd doorslaggevend, maar het moment waarop de werkgever de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou kunnen (doen) eindigen.

Compensatie transitievergoeding

De werkgever is dus gehouden de transitievergoeding ten belope van een bedrag van € 81.000 (bruto) te betalen. Vraag is of de werkgever in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Regeling Compensatie Transitievergoeding.

Ander uitgangspunt

De Regeling Compensatie Transitievergoeding vergoedt alleen de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn bij een beëindiging van het dienstverband na 104 weken ziekte. In dit geval dus per einde wachttijd 5 januari 2015. Dit is een andere datum dan het moment waarop de Kantonrechter vindt dat de werkgever het dienstverband zou kunnen (doen) beëindigen, 14 maart 2017. Aangezien de eindewachttijd (104 weken ziekte) in deze zaak voor de invoering van de transitievergoeding lagen, zal er (naar het zich laat aanzien) geen recht zijn op compensatie.

Gevolg

De werkgever kon de arbeidsbijeenkomst in dit geval niet eerder beëindigen, maar krijgt niet vergoed wat hij moet betalen op het moment dat hij wel kan beëindigen. Dat is wrang en lijkt mij in strijd met de bedoeling van de wetgever, namelijk het compenseren van een betaalde transitievergoeding.

Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 23 december 2019 (gepubliceerd 13 januari 2020)

Actualiteiten

Meld u aan voor onze nieuwsbrieven

Wij brengen u graag op de hoogte van nieuwe (internationale) inzichten op het gebied van financiën, bedrijfsvoering, strategie, governance, risk, compliance en meer.

Meld u aan