Healthcare

Zorgverlener geen ondernemer maar werknemer

Een zorgverlener leverde in 2013 en 2014 thuiszorg in natura. Het werven van klanten verliep via bemiddeling door AWBZ-erkende instellingen en door bemiddelingsbureaus. In totaal werkte de zorgverlener voor 10 zorginstellingen/bemiddelingsbureaus. 18 november jl. oordeelde het gerechtshof Den Haag dat de AWBZ-zorgverlener in dienst staat tot de zorginstelling / bemiddelingsbureaus. In deze bijdrage volgt een korte analyse van deze zaak.

Procesverloop

De inspecteur stelde dat het verlenen van AWBZ-zorg in natura in dienstbetrekking plaatsvond. De zorgverlener ging in beroep. De rechtbank Den Haag stelde de zorgverlener in het gelijk en besliste dat de inspecteur voor 2013 en 2014 een VAR-WUO had moeten afgeven. Hiertegen ging de inspecteur in hoger beroep. Het gerechtshof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Overwegingen van het gerechtshof

Het gerechtshof geeft allereerst zijn beoordelingskader aan. Het gerechtshof beoordeelt of sprake is van een arbeidsverhouding. Daartoe toetst het gerechtshof de feiten en omstandigheden aan de criteria van de dienstbetrekking. Deze criteria zijn:

(i) verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid;

(ii) een gezagsverhouding;

(iii) een verplichting tot het betalen van loon.

Ad (i) verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid

Het gerechtshof oordeelt dat de arbeid persoonlijk verricht wordt. Het gerechtshof acht het niet aannemelijk dat de zorgverlener zich, anders dan op incidentele basis, kan laten vervangen door een andere zorgverlener met dezelfde registratie. De vervanging (anders dan incidenteel) wordt door de zorgaanbieder zelf geregeld.

Ad (ii) een gezagsverhouding

Het gerechtshof komt vervolgens tot het oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding. Het gerechtshof komt tot dit oordeel op basis van de hierna genoemde omstandigheden. De verpleegkundige dient zich te houden aan het rooster, er was geen bemoeienis met het opstellen van het zorgleefplan en de zorgverlener ontvangt aanwijzingen van de teamleider en de zorginstellingen.

Ad (iii)een verplichting tot het betalen van loon

Met betrekking tot de verplichting tot het betalen van loon overweegt het gerechtshof dat het debiteurenrisico, namelijk dat de zorgaanbieders niet betalen, niet groter is dan dat van een werknemer. In aanvulling daarop merkt het gerechtshof op dat de zorgverlener geen invloed had op het uurtarief.

Conclusie

Het gerechtshof lijkt veel belang toe te kennen aan de (al dan niet) vrije vervangbaarheid van de zorgverlener en de betrokkenheid van de zorgverlener bij het opstellen van het zorgleefplan. Het valt ons op dat de zorgverlener in kwestie kennelijk geen (enkele) invloed had bij het opstellen van het zorgleefplan, terwijl in de praktijk zorgverleners veelal wel betrokken zijn bij het opstellen van het zorgleefplan.

Met deze uitspraak kan er weer één worden toegevoegd aan de jurisprudentie aangaande de fiscale kwalificatie van zorgverleners. Behoren dergelijke procedures straks met de komst van de Wet DBA tot het verleden?