BEPS

Anti-belastingontwijkingsrichtlijn; gevolgen voor het MKB

Linda van de Reep Linda van de Reep

Op 21 juni 2016 hebben de EU-lidstaten overeenstemming bereikt over de Anti-BEPS-richtlijn. Het doel is de aanpak van belastingontwijking door multinationals. De richtlijn voorziet in de implementatie van de OESO BEPS-actiepunten binnen de EU. De lidstaten moeten de maatregelen van de richtlijn uiterlijk 31 december 2018 hebben verwerkt in de nationale wetgeving.

De richtlijn kan ook voor internationaal opererende MKB-ondernemingen gevolgen hebben. In het onderstaande een overzicht van de belangrijkste maatregelen en de mogelijke invloed op het Nederlandse MKB.

Beperking van renteaftrek

In de Anti-BEPS-richtlijn is een nieuwe renteaftrekbeperking opgenomen. De gedachte is dat een onevenwichtig hoge rentelast de belastbare winst verlaagt, waardoor de uiteindelijke belastingopbrengst lager is. Dit is onwenselijk. De renteaftrekbeperking is een aanvulling op de bestaande Nederlandse rentemaatregelen.

Ondernemingen mogen in de toekomst maximaal 30% van de brutowinst aan rente aftrekken. Meest belangrijk voor het MKB is echter de uitzondering op de regel. Lidstaten mogen een drempel hanteren van € 3.000.000. Alle rente tot € 3.000.000 blijft aftrekbaar. Hierdoor zal de maatregel naar verwachting geen gevolgen hebben voor het MKB.

Exit-heffing bij verplaatsing van activa over de grens

In de richtlijn wordt een exit-heffing geïntroduceerd. Een onderneming die activa overdraagt naar een buitenlandse vaste inrichting is belasting verschuldigd over de meerwaarde van de activa. Ook als de onderneming zelf geheel of gedeeltelijk is verplaatst naar een ander land, moet er belasting worden betaald. De exit-heffing is vrijwel gelijk aan de bestaande bepaling in de Nederlandse vennootschapsbelasting. De richtlijn is geen wijziging voor Nederlandse ondernemers die activa overdragen naar het buitenland. Voor EU-staten waar nog geen exit-heffing bestond heeft de richtlijn wel gevolgen. Als een EU-vaste inrichting activa verplaatst, moet de ondernemer hier rekening mee houden.

Algemene anti-misbruikmaatregel

Achtergrond van de anti-misbruikmaatregel is het voorkomen van belastingontwijking door kunstmatige, fiscale constructies. Een belastingplichtige mag zijn handelsactiviteiten fiscaal efficiënt vormgeven, maar transacties en structuren worden genegeerd als het voornaamste doel is een belastingvoordeel te verkrijgen. In dat geval kan het EU-land belasting heffen alsof de transactie of structuur nooit heeft bestaan.

Ook kunstmatige structuren binnen het MKB kan de Belastingdienst hiermee bestrijden. Er is geen ondergrens, bijvoorbeeld aan het financiële voordeel dat met de constructie wordt behaald. Overigens lijkt de maatregel op het 'fraus legis'-begrip dat door de Hoge Raad in Nederland is geïntroduceerd. Hierdoor wijzigt de richtlijn de positie van de Nederlandse belastingplichtigen niet.

CFC (Controlled Foreign Company)-maatregelen

Voor EU-ondernemingen met een belang van meer dan 50% in een laagbelaste, niet-EU onderneming met passief inkomen (rente, royalties of dividenden) worden CFC-maatregelen ingevoerd. Het begrip laagbelast is in de richtlijn uitgelegd: de winstbelasting van de buitenlandse onderneming is 50% lager dan de belasting die in het EU-land verschuldigd zou zijn. Om te voorkomen dat te weinig belasting wordt geheven, moet de EU-moedermaatschappij de inkomsten van de laagbelaste onderneming tot haar resultaat rekenen.

Voor het MKB zijn de gevolgen beperkt. Vaak zal het buitenlandse inkomen niet volledig 'passief' zijn en zullen er ook daadwerkelijke economische activiteiten worden verricht. De CFC-maatregel is dan niet van toepassing.

Hybride mismatches

Tot slot bestrijdt de richtlijn hybride mismatches. Door verschillen tussen belastingstelsels kunnen landen binnen de EU verschillend oordelen over het karakter van een betaling (rente of dividend) of een onderneming (wel of niet fiscaal transparant). Hierdoor kan dubbel gebruik wordt gemaakt van belastingaftrek. Of er wordt over een ontvangen betaling geen belasting betaald, terwijl elders een aftrek plaatsvindt. Dit is onwenselijk. Voor ondernemers is het prettig dat de richtlijn duidelijke instructies omvat over welke lidstaat aftrek moet toestaan of moet weigeren. Ook voor de MKB-onderneming met een belang in een buitenlandse rechtsvorm is deze maatregel van belang. Overigens is met ingang van 1 januari 2016 de deelnemingsvrijstelling aangepast, waardoor ook in de nationale wet de hybride mismatches worden bestreden.

Conclusie

Voor het Nederlandse MKB zijn de gevolgen van de richtlijn relatief beperkt. Door de aard en omvang van de MKB-activiteiten geldt voor het MKB vaak een uitzondering. Daarnaast is een deel van de maatregelen al opgenomen in de Nederlandse wetgeving. Toch is het belangrijk om steeds te beoordelen of de maatregelen uw onderneming treffen.

Gepubliceerd in: BelastingZaken magazine, april 2017

Gerelateerde artikelen