Commissarissen benchmarkonderzoek

Onderzoeksopzet 2015/2016

Aan het 2015/2016 onderzoek hebben 338 commissarissen meegedaan en 13 secretarissen die geen commissaris zijn. In totaal zijn er dus 351 vragenlijsten ingevuld waarvan 70 via een face-to-face interview. De resterende web-based vragenlijsten zijn voornamelijk ingevuld door FINEM leden, commissarissen die aan de eerdere onderzoeken hebben deelgenomen, NCD leden, VTW leden en alumni van de Governance University.

Het aantal in 2015/2016 is historisch hoog. Aan het 2014/2015 onderzoek deden 216 commissarissen en 5 secretarissen mee, waarvan 60 via een face-to-face interview.

Basisprofiel

Ten behoeve van de analyse is een basisprofiel van de commissaris onderscheiden en een aantal variaties daarop. Het basisprofiel is als volgt gedefinieerd:

  • is toezichthouder bij een beursgenoteerde onderneming;
  • is een gewoon RvC-lid of overig toezichthouder (RvT bijvoorbeeld) en geen voorzitter;
  • heeft geen zitting in een RvB elders;
  • is ouder dan 55 jaar;
  • is man; en
  • is geen lid van een auditcommissie binnen een RvC.

Bij de variaties worden bijvoorbeeld onderscheiden: de niet-beursgenoteerde bedrijven, een familiebedrijf, een woningcorporatie, een stichting, een commissaris tevens lid van een RvB, de jongere commissaris, de vrouwelijke commissaris en de commissaris tevens lid auditcommissie.

In de vraagstelling is doorgaans een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de wenselijke situatie of tussen de huidige kwaliteit en het toekomstige belang.

Regressieanalyse

De resultaten zijn geanalyseerd met behulp van een regressieanalyse. Het voordeel hiervan is tweeledig: het kunnen schatten van scores voor een gekozen profiel zonder dat er veel respondenten aan de exacte profielbeschrijving hoeven te voldoen. Maar één respondent van de 351 respondenten voldoet exact aan het basisprofiel. Maar er zijn wel meer respondenten die op één variatie na voldoen aan het basisprofiel. Ander voordeel, het kunnen scheiden van de invloeden van diverse variaties. Bijvoorbeeld, wanneer gemiddelde scores van genoteerde ondernemingen worden vergeleken met die van niet-genoteerde bedrijven is het de vraag of de verschillen toe te schrijven zijn aan het niet-genoteerd zijn of dat het ligt aan de gemiddeld kleinere omvang van de niet-genoteerde bedrijven.