Automotive

De automotive transitie vraagt meer dan elektrificatie

Door: Annemieke Bos, Erwin Rexwinkel

Elektrificatie is zichtbaar, maar vormt slechts één onderdeel van de verandering binnen de automotive sector. Organisaties moeten tegelijkertijd investeren in digitalisering, weerbaarheid, talentontwikkeling, nieuwe verdienmodellen en compliance. De werkelijke uitdaging ligt daarom niet in één transitie, maar in het vermogen om meerdere veranderingen gelijktijdig te sturen en beheersen.
Onderwerpen

De Nederlandse automotive markt verandert in hoog tempo. In 2025 werden 388.024 nieuwe personenauto’s geregistreerd, 1,7 procent meer dan in 2024. Volledig elektrische auto’s waren goed voor 156.139 registraties en een marktaandeel van 40,2 procent. Hybride voertuigen kwamen uit op 175.779 registraties en 45,3 procent. Samen vertegenwoordigde geëlektrificeerde aandrijving daarmee 85,5 procent van alle nieuwe registraties in Nederland. 

Toch laat dit cijfer slechts een deel van de werkelijkheid zien. Begin 2025 bestond het Nederlandse personenautopark uit ruim 9,6 miljoen voertuigen, waarvan 6,1 procent volledig elektrisch was. In augustus 2026 was dat aandeel gestegen naar 8,2 procent, wat overeenkomt met 770.453 volledig elektrische personenauto’s. De verschuiving bij nieuw verkochte auto’s verloopt daarmee aanzienlijk sneller dan de verandering van het totale wagenpark. 

Dat verschil is commercieel relevant. Dealers, onderhoudsbedrijven, importeurs, leaseorganisaties en onderdelenleveranciers moeten voorlopig verschillende aandrijftechnologieën naast elkaar blijven ondersteunen. Tegelijkertijd moeten zij investeren in kennis, systemen en infrastructuur voor een wagenpark dat geleidelijk verandert. De overgang is daardoor geen rechte lijn van oud naar nieuw, maar een periode waarin meerdere businessmodellen langdurig naast elkaar bestaan. 

De druk komt van meerdere kanten. 

1. Investeren terwijl de markt beweegt 

Elektrische en softwaregedreven voertuigen vragen om investeringen in technische kennis, digitale infrastructuur, cybersecurity, data en nieuwe serviceconcepten. Tegelijkertijd is niet altijd duidelijk hoe snel klanten overstappen, welke technologieën dominant worden en hoe fiscale maatregelen het aankoopmoment beïnvloeden. BOVAG en RAI Vereniging wijzen erop dat fiscale keuzes het tempo van de Nederlandse markt zichtbaar beïnvloeden. 

Deze onzekerheid maakt investeringsbeslissingen complexer. Te laat investeren kan leiden tot verlies van concurrentiekracht. Te vroeg of te eenzijdig investeren kan juist capaciteit creëren waarvoor de vraag achterblijft. Organisaties hebben daarom meer nodig dan één basisscenario om toekomstbestendige keuzes te maken. 

2. Omzetgroei zegt weinig zonder zicht op marge 

Na een omzetdaling van 2,6 procent in 2025 groeide de omzet van de Nederlandse auto- en motorbranche in het tweede kwartaal van 2026 met 13,9 procent ten opzichte van een jaar eerder. De handel en reparatie van personenauto’s groeide met 19,2 procent, terwijl de handel in auto-onderdelen met 1,4 procent kromp. De verschillen tussen deelsectoren worden daarmee steeds groter. 

Voor bestuurders is daarom niet alleen de omzetontwikkeling relevant. De centrale vraag is welke activiteiten daadwerkelijk waarde toevoegen, hoeveel werkkapitaal daarvoor nodig is en welke investeringen vereist zijn om concurrerend te blijven. Groei zonder voldoende grip op marge en kasstroom kan de kwetsbaarheid van een organisatie juist vergroten. 

3. Digitalisering verandert het product én de organisatie 

Voertuigen worden steeds sterker bepaald door software, data, sensoren en connectiviteit. De Europese Commissie benoemt AI, software, sensing, communicatie en digitale diensten expliciet als technologieën die de concurrentieverhoudingen binnen automotive veranderen. Tegelijkertijd signaleert zij dat Europa achterop dreigt te raken op het gebied van batterijen, software, infotainment en autonoom rijden. 

Deze ontwikkeling raakt meer dan alleen productontwikkeling. Data governance, cybersecurity, intellectueel eigendom en digitale competenties ontwikkelen zich steeds meer tot bestuursvraagstukken. Organisaties moeten bepalen welke technologie zij zelf willen beheersen, waar samenwerking noodzakelijk is en welke risico’s bij leveranciers kunnen worden belegd. 

4. De arbeidsmarkt verschuift 

De transitie vraagt om andere competenties, terwijl bestaande technische kennis schaars blijft. Softwareontwikkeling, batterijtechnologie, elektronica, data en cybersecurity worden steeds belangrijker. Tegelijkertijd blijven onderhoud, productie en engineering rondom bestaande voertuigen nog jarenlang noodzakelijk. 

Dat vraagt om strategische personeelsplanning. De vraag is niet alleen hoeveel medewerkers nodig zijn, maar vooral welke kennis over drie tot vijf jaar bepalend zal zijn voor het succes van de organisatie. Omscholing en kennisbehoud worden daarmee net zo belangrijk als het aantrekken van nieuw talent. 

5. Internationale concurrentie neemt toe 

In 2025 kwamen ruim één miljoen in China geproduceerde auto’s de Europese Unie binnen. Chinese auto’s waren goed voor 7 procent van alle autoverkopen in de EU en voor 20 procent van de verkoop van volledig elektrische voertuigen. Concurrentie draait daarbij niet uitsluitend om prijs, maar ook om ontwikkelsnelheid, batterijtechnologie, software en schaalgrootte. 

Voor Nederlandse organisaties wordt de strategische vraag daardoor breder. Kunnen bestaande kostenstructuren, distributiemodellen en besluitvormingsprocessen blijven concurreren met marktpartijen die voertuigen sneller ontwikkelen en fundamenteel anders kijken naar verkoop, data en dienstverlening? 

Veerkracht boven eenmalige optimalisatie 

In een voorspelbare markt kan een organisatie sturen op maximale efficiëntie. In een markt waarin technologie, regelgeving en klantvraag gelijktijdig veranderen, is aanpassingsvermogen minstens zo belangrijk. Dat betekent dat scenario’s niet uitsluitend financiële gevolgen in kaart moeten brengen, maar ook inzicht moeten geven in de impact op capaciteit, medewerkers, technologie en ketenpartners. 

Veerkracht betekent niet dat iedere activiteit flexibel moet zijn. Het betekent dat bestuurders weten welke onderdelen van de organisatie cruciaal zijn, welke afhankelijkheden acceptabel zijn en op welk moment bijsturing noodzakelijk is. 

Vijf vragen voor de bestuursagenda 

  • Welke combinatie van ontwikkelingen heeft de grootste invloed op onze kasstroom en investeringsruimte? 
  • Welke activiteiten blijven waardevol als het tempo van elektrificatie sneller of juist langzamer verloopt? 
  • Welke technologieën en kennis willen we zelf in huis hebben? 
  • Waar zijn we afhankelijk van één klant, leverancier, platform of beleidsmaatregel? 
  • Beschikken we over voldoende stuurinformatie om tijdig bij te sturen? 

De transitie vraagt om samenhang 

Elektrificatie, digitalisering, talentontwikkeling en regelgeving zijn geen afzonderlijke veranderprogramma’s. Zij concurreren om dezelfde investeringsruimte en beïnvloeden dezelfde operationele processen. Juist daarom ontstaat duurzame waarde wanneer organisaties deze vraagstukken in samenhang aansturen. 

Wat kun je nu doen? 

Ontwikkel drie geïntegreerde scenario’s voor de komende drie tot vijf jaar. Vertaal elk scenario naar omzet, marge, liquiditeit, capaciteit, competenties en investeringen. Zo ontstaat een besluitvormingskader dat verder gaat dan voorspellen alleen. Het helpt om eerder te signaleren wanneer de organisatie haar koers moet aanpassen en welke keuzes daarvoor nodig zijn. 

Wil je verder praten over deze inzichten? Neem contact met ons op. 

Neem contact op