Belastingplan 2027: Belangrijke maatregelen voor internationale bedrijven

Prinsjesdag
Op Prinsjesdag presenteert de Nederlandse regering het Belastingplan voor het komende jaar. Voor internationaal opererende ondernemingen die in Nederland gevestigd zijn, bevat het Belastingplan 2027 belangrijke wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de belastingpositie en bedrijfsvoering. Het Belastingplan 2027 bevat wijzigingen die impact hebben op bedrijven die in Nederland actief zijn.
Onderwerpen

Dit artikel biedt een overzicht van de voornaamste fiscale wijzigingen, met speciale aandacht voor de vennootschapsbelasting, dividendbelasting en Pijler 2. Naast tariefwijzigingen behandelen we ook diverse regelingen en de mogelijke impact hiervan op bedrijven. 

Tarieven 2027 

Zoals in voorgaande jaren blijven de tarieven voor de vennootschapsbelasting ongewijzigd. Het verlaagde tarief van 19% blijft van toepassing op winsten tot € 200.000, gelijk aan het tarief in 2026. Voor winsten boven € 200.000 blijft het tarief 25,8%. 

Uit het Belastingplan 2027 blijkt dat er voorlopig geen aanpassingen worden doorgevoerd in de vennootschapsbelastingtarieven. De ontwikkelingen kunnen als volgt schematisch worden weergegeven:

2022 2023 2024 2025 2026 2027
Laag tarief 
15% 
19% 
19% 
19% 
19% 
19% 
Winstgrens 
€ 395.000 
€ 200.000 
€ 200.000 
€ 200.000 
€ 200.000 
€ 200.000 
Hoog tarief 
25,8% 
25,8% 
25,8% 
25,8% 
25,8% 
25,8% 

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2027 in de komende maanden kunnen de tarieven en schijven nog worden aangepast. 

Aanpassing fiscale behandeling valutaresultaten onder de deelnemingsvrijstelling

De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat voordelen uit een deelneming onder voorwaarden buiten de heffing van vennootschapsbelasting blijven. Daar staat tegenover dat verliezen op deelnemingen in beginsel niet aftrekbaar zijn. Op verzoek van de belastingplichtige kan de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing zijn op afdekkingsinstrumenten, zoals geldleningen, die zijn aangegaan ter afdekking van valutarisico's op deelnemingen. Een welkome wijziging is dat het verzoek niet langer vooraf hoeft te worden gedaan waarmee enkele goedkeuringen uit het Besluit Deelnemingsvrijstelling wordt gecodificeerd. Belastingplichtigen kunnen namelijk ook ná het aangaan van een afdekkingsinstrument nog verzoeken om toepassing van de deelnemingsvrijstelling bij de inspecteur. Dit biedt meer flexibiliteit en sluit beter aan bij de praktijk. 

Volgens het kabinet kan hierdoor een fiscale onevenwichtigheid ontstaan. De rentelasten op een dergelijk afdekkingsinstrument zijn doorgaans aftrekbaar, terwijl het in die rentevergoeding verdisconteerde verwachte valutaresultaat onder de deelnemingsvrijstelling kan vallen. Daardoor worden economisch samenhangende elementen fiscaal verschillend behandeld. 

Met het Belastingplan 2027 wordt voorgesteld deze onevenwichtigheid weg te nemen. Voortaan zal de deelnemingsvrijstelling uitsluitend nog gelden voor niet-ingeprijsde, onverwachte valutaresultaten. Het vooraf in de rente verdisconteerde verwachte valutaresultaat zal daarentegen tot de belaste sfeer behoren. Deze maatregel houdt mede verband met het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:417). 

Praktische gevolgen 

Voor ondernemingen die valutarisico's op deelnemingen afdekken, zal de voorgestelde maatregel aanleiding geven tot een herbeoordeling van bestaande financierings- en hedgeposities. In het bijzonder zal aandacht moeten worden besteed aan de afbakening tussen ingeprijsde en niet-ingeprijsde valutaresultaten, nu uitsluitend laatstgenoemde resultaten nog onder de deelnemingsvrijstelling zouden kunnen vallen. Gezien de complexiteit van deze beoordeling en de aangekondigde overgangsregeling voor bestaande gevallen, lijkt een tijdige inventarisatie van bestaande afdekkingsinstrumenten en de onderliggende documentatie wenselijk. 

Innovatiebox verruiming forfaitaire regeling 

De innovatiebox maakt het mogelijk om voordelen uit kwalificerende, zelfontwikkelde immateriële activa, zoals nieuwe producten, productieprocessen en software, effectief te belasten tegen 9% in plaats van tegen het reguliere vennootschapsbelastingtarief van maximaal 25,8%. Voor kleinere belastingplichtigen kan het innovatieboxvoordeel gedurende maximaal drie jaar forfaitair worden vastgesteld op 25% van de winst, voor zover die winst aan kwalificerende immateriële activa kan worden toegerekend. 

Het huidige forfaitaire maximum van € 25.000 geldt sinds de invoering van de regeling in 2013 en is sindsdien niet aangepast. In de praktijk kan het beperkte belastingvoordeel daardoor niet altijd opwegen tegen de administratieve lasten en uitvoeringskosten van toepassing van de regeling. Voorgesteld wordt om het maximale forfaitaire bedrag per 1 januari 2027 te verhogen naar € 100.000. Hiermee beoogt het kabinet de innovatiebox eenvoudiger en aantrekkelijker te maken voor innovatieve mkb-bedrijven. 

Praktische gevolgen 

De verruiming van de forfaitaire regeling kan met name voor mkb-ondernemingen aanleiding zijn om hun huidige innovatieboxpositie te heroverwegen. Door de verhoging van het maximale forfaitaire bedrag van € 25.000 naar € 100.000 wordt de forfaitaire methode in meer situaties aantrekkelijk. Ondernemingen zullen daarbij moeten afwegen of de eenvoud van het forfait opweegt tegen een reguliere winsttoerekening aan de innovatiebox, waarbij onder meer het verwachte fiscale voordeel, de beschikbare documentatie, de administratieve lasten en de verwachte ontwikkeling van de innovatiegerelateerde voordelen gedurende de driejarige forfaitaire periode van belang zijn. 

Teruggaaf regeling dividendbelasting voor Nederlandse achterliggers in buitenlandse beleggingsinstellingen 

Het Belastingplan 2027 bevat een voorstel voor een teruggaafregeling in de dividendbelasting voor Nederlandse beleggers die via een buitenlandse beleggingsinstelling beleggen in Nederlandse aandelen. Aanleiding vormt het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1176). Uit dit arrest volgt dat Nederlandse beleggers die via een buitenlandse beleggingsinstelling in Nederlandse aandelen in economische zin beleggen niet zwaarder mogen worden belast dan Nederlandse beleggers die via een fiscale beleggingsinstelling (fbi) beleggen. 

Onder de huidige systematiek kan een fbi gebruikmaken van de afdrachtvermindering in de dividendbelasting. Daardoor kan de op ontvangen Nederlandse dividenden ingehouden dividendbelasting worden betrokken bij de dividendbelasting die de fbi verschuldigd wordt bij dooruitkeringen aan haar participanten. Een buitenlandse beleggingsinstelling beschikt niet over een vergelijkbare mogelijkheid, omdat zij bij uitkeringen aan haar participanten in beginsel geen Nederlandse dividendbelasting inhoudt. Hierdoor kan een verschil ontstaan in de economische belastingdruk voor Nederlandse beleggers die via een buitenlandse beleggingsinstelling beleggen. 

Met de voorgestelde maatregel wordt beoogd dit verschil weg te nemen. Daartoe wordt een teruggaafregeling geïntroduceerd op grond waarvan Nederlandse achterliggende beleggers onder voorwaarden een teruggaaf kunnen verzoeken van Nederlandse dividendbelasting die op Nederlandse dividenden ten laste van de buitenlandse beleggingsinstelling is ingehouden. 

Praktische gevolgen 

De regeling treedt naar verwachting per 1 januari 2027 in werking. Voor Nederlandse beleggers die via een buitenlandse beleggingsinstelling beleggen in Nederlandse aandelen kan dit aanleiding zijn om na te gaan of zij onder de nieuwe regeling voor teruggaaf in aanmerking komen. Daarbij moeten worden beoordeeld in hoeverre Nederlandse dividenden via een buitenlandse beleggingsinstelling zijn ontvangen, welke Nederlandse dividendbelasting daarop is ingehouden en welke informatie beschikbaar is om een teruggaafverzoek te onderbouwen. In de praktijk zal de beschikbaarheid van adequate informatie vanuit de buitenlandse beleggingsinstelling vermoedelijk een belangrijk aandachtspunt vormen. Daarnaast kan het zinvol zijn om voor eerdere jaren te beoordelen of, mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, nog mogelijkheden bestaan om een tegemoetkoming of teruggaaf te verkrijgen, afhankelijk van de concrete feiten en de toepasselijke wettelijke en procedurele termijnen.  

Schrappen van het bewijsvermoeden in de fusie - en splitsingsfaciliteit 

De Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 bevat doorschuiffaciliteiten voor kwalificerende bedrijfsfusies en splitsingen. Op grond van deze faciliteiten kan belastingheffing over bij een reorganisatie aanwezige meerwaarden onder voorwaarden worden doorgeschoven. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat de transactie niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 

Onder de huidige regelgeving geldt een wettelijk bewijsvermoeden indien aandelen in een bij de reorganisatie betrokken lichaam binnen drie jaar na de bedrijfsfusie of splitsing worden vervreemd aan een niet-verbonden partij. In dat geval wordt vermoed dat geen zakelijke overwegingen aan de reorganisatie ten grondslag lagen. De belastingplichtige kan dit vermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat de reorganisatie desondanks op zakelijke overwegingen berustte. 

De Hoge Raad heeft op 27 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:298) geoordeeld dat dit wettelijke bewijsvermoeden in de splitsingsfaciliteit niet verenigbaar is met de EU-Fusierichtlijn (Richtlijn 2009/133/EG) en relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Naar aanleiding daarvan stelt het kabinet voor het wettelijke bewijsvermoeden zowel voor de splitsingsfaciliteit als voor de bedrijfsfusiefaciliteit te schrappen. 

Het vervallen van het bewijsvermoeden betekent niet dat de Belastingdienst de toepassing van de faciliteit niet langer kan bestrijden. Indien sprake is van een reorganisatie die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan de faciliteit nog steeds worden geweigerd. Wel komt de bewijslast minder automatisch bij de belastingplichtige te liggen. 

Praktische gevolgen 

Het voorstel versterkt de bewijspositie van belastingplichtigen bij bedrijfsfusies en splitsingen die binnen drie jaar worden gevolgd door een vervreemding aan een niet-verbonden partij. Een dergelijke vervreemding leidt niet langer automatisch tot een wettelijk vermoeden van belastingontwijking. Tegelijkertijd blijft de algemene antimisbruiktoets van toepassing. Het blijft daarom van belang om de zakelijke overwegingen die aan de reorganisatie en een eventuele latere vervreemding ten grondslag liggen zorgvuldig vast te leggen. Een goede vastlegging van commerciële, strategische en operationele motieven kan van groot belang blijven indien de Belastingdienst de toepassing van de faciliteit ter discussie stelt.  

Verduidelijking van het begrip publieke middelen in de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling 

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bevat een subjectieve vrijstelling voor lichamen die voor ten minste 90% onderwijs- of onderzoeksactiviteiten verrichten, mits deze activiteiten voor ten minste 70% direct of indirect worden bekostigd uit publieke middelen. Voor instellingen die aan deze voorwaarden voldoen, blijft de daarmee behaalde winst buiten de heffing van vennootschapsbelasting. 

Het kabinet stelt voor het begrip "publieke middelen" nader te verduidelijken. Voorgesteld wordt te bepalen dat geen sprake is van bekostiging uit publieke middelen indien voor het beschikbaar stellen van die middelen een contractuele tegenprestatie wordt verlangd. Hierdoor vallen commerciële onderwijs- en onderzoeksactiviteiten die in opdracht van een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijk overheidslichaam worden verricht en waarvoor specifiek overeengekomen werkzaamheden worden uitgevoerd, niet langer binnen het bereik van de vrijstelling. 

Aanleiding voor het voorstel vormt een lopende procedure over de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling en signalen dat belastingplichtigen de vrijstelling claimen voor commerciële onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Volgens het kabinet is de vrijstelling niet bedoeld voor dergelijke activiteiten en wordt met het voorstel verduidelijkt hoe het begrip publieke middelen moet worden uitgelegd. 

Het kabinet benadrukt dat geen sprake is van een inhoudelijke wijziging van de bestaande wetgeving, maar van een codificatie van de uitleg die volgens het kabinet reeds geldt. Tegelijkertijd kan de vraag worden gesteld in hoeverre de voorgestelde bepaling daadwerkelijk uitsluitend een verduidelijking vormt, nu expliciet wordt vastgelegd dat financiering waarvoor een contractuele tegenprestatie wordt verricht niet als bekostiging uit publieke middelen kwalificeert. 

Praktische gevolgen 

De voorgestelde verduidelijking maakt het voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen belangrijk om hun financieringsstructuur kritisch te beoordelen. In het bijzonder verdient aandacht of ontvangen bedragen kwalificeren als publieke bekostiging of feitelijk de vergoeding vormen voor contractueel overeengekomen prestaties. Instellingen die onderwijs- of onderzoeksactiviteiten verrichten in opdracht van overheidsorganisaties doen er daarom goed aan bestaande overeenkomsten en financieringsarrangementen te herbeoordelen. Daarbij zal met name moeten worden gekeken naar de aard van de overeengekomen prestaties, de contractuele verplichtingen en de mogelijke gevolgen voor de toepassing van de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling.  

Uitzondering earningsstrippingmaatregel voor woningcorporaties 

Opvallend is dat de eerder aangekondigde uitzondering op de renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 voor woningcorporaties nog ontbreekt in de gepubliceerde wetsvoorstellen van het Belastingplan 2027. Het kabinet heeft aangekondigd deze maatregel alsnog via een nota van wijziging aan het pakket toe te voegen. 

Uit de budgettaire bijlagen bij de Miljoenennota volgt dat de uitzondering naar verwachting per 1 januari 2028 in werking zal treden. De maatregel leidt structureel tot een geraamde derving van circa € 425 miljoen aan vennootschapsbelastingopbrengsten per jaar. 

Praktische gevolgen 

Voor woningcorporaties kan dit een van de meest relevante Vpb-maatregelen van de komende jaren zijn. Indien de aangekondigde uitzondering daadwerkelijk wordt ingevoerd, zal de earningsstrippingmaatregel niet langer of in beperktere mate drukken op de fiscale renteaftrekpositie. Woningcorporaties doen er daarom goed aan de verdere parlementaire behandeling nauwlettend te volgen en de mogelijke impact op hun effectieve belastingdruk, financieringsstructuur en investeringscapaciteit tijdig in kaart te brengen. 

Minimumbelasting (Pijler 2) 

Uitbreiding veiligehavenregels binnen de Wet minimumbelasting 2024 

Het wetsvoorstel veiligehavenregels Wet Minimumbelasting 2024 introduceert verschillende aanvullende veiligehavenregels voor groepen die onder de reikwijdte van de wereldwijde minimumbelasting vallen. Deze regels vloeien voort uit het internationale Side-by-Side-pakket en zijn bedoeld om de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 in bepaalde situaties te vereenvoudigen. De kern van het voorstel is dat groepen onder voorwaarden kunnen volstaan met een vereenvoudigde beoordeling, of dat de bijheffing in specifieke gevallen op nihil wordt gesteld. Daarmee wordt beoogd de administratieve lasten te beperken, zonder afbreuk te doen aan het uitgangspunt dat grote multinationale en binnenlandse groepen wereldwijd effectief ten minste 15% belasting betalen over hun winsten. 

Vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel 

Een belangrijke maatregel is de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel. Op basis van deze regel kan een groep voor een bepaalde staat een vereenvoudigde berekening maken aan de hand van de financiële jaarverslaggeving, met slechts een beperkt aantal correcties. Als uit deze vereenvoudigde berekening volgt dat het effectieve belastingtarief ten minste 15% bedraagt, hoeft geen volledige berekening van de bijheffing volgens de reguliere regels van de Wet minimumbelasting 2024 te worden gemaakt. De regeling is daarmee vooral relevant voor groepen die in een staat al voldoende belasting betalen, maar onder de reguliere systematiek toch een aparte berekening zouden moeten opstellen. 

Kwalificerend equivalent minimumbelasting-veiligehavenregel 

Daarnaast wordt een veiligehavenregel geïntroduceerd voor jurisdicties met een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel. Deze regel is relevant voor jurisdicties die de wereldwijde minimumbelastingregels niet hebben ingevoerd, maar wel beschikken over een eigen belastingstelsel dat op vergelijkbare wijze een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de bijheffing voor de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel op nihil gesteld. Hiermee wordt voorkomen dat een groep zowel wordt geconfronteerd met de wereldwijde minimumbelastingregels als met een vergelijkbare nationale minimumbelasting 

Uiteindelijkemoederentiteit-veiligehavenregel 

Ook bevat het wetsvoorstel een uiteindelijkemoederentiteit-veiligehavenregel. Deze regel ziet op de binnenlandse activiteiten van groepen waarvan de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd in een jurisdictie met een kwalificerend binnenlands belastingstelsel. In dat geval wordt de bijheffing voor de onderbelastewinstmaatregel op nihil gesteld voor entiteiten die in dezelfde jurisdictie zijn gevestigd als de uiteindelijkemoederentiteit. Voor groepsentiteiten in andere jurisdicties blijft de reguliere toepassing van de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel in beginsel bestaan. 

Kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel 

Verder wordt een veiligehavenregel voorgesteld voor kwalificerende fiscale stimuleringsregelingen. Deze regel beoogt te voorkomen dat bepaalde fiscale stimuleringsmaatregelen voor reële economische activiteiten hun effect verliezen door de toepassing van de minimumbelastingregels. Onder voorwaarden mag het bedrag aan betrokken belastingen worden verhoogd met het belastingvoordeel dat samenhangt met dergelijke regelingen. Daarbij gaat het om regelingen die direct verband houden met gemaakte uitgaven of investeringen in een staat. Regelingen die zijn gebaseerd op inkomen, zoals de innovatiebox, kwalificeren in beginsel niet voor deze veiligehavenregel. Investeringsaftrekken kunnen daarentegen wel binnen de reikwijdte vallen.  

Praktische gevolgen 

Voor groepen die onder de Wet minimumbelasting 2024 vallen, kunnen de voorgestelde veiligehavenregels leiden tot een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten. In de praktijk zal per jurisdictie moeten worden beoordeeld of een veiligehavenregel kan worden toegepast en welke documentatie nodig is om dit te onderbouwen. Daarbij verdient met name aandacht of een jurisdictie beschikt over een kwalificerend binnenlands of wereldwijd belastingstelsel en of fiscale stimuleringsregelingen binnen de voorwaarden van de nieuwe veiligehavenregels vallen. 

Wij raden aan om tijdig in kaart te brengen in welke jurisdicties de groep actief is, welke effectieve belastingdruk daar geldt en of gebruik kan worden gemaakt van een van de voorgestelde veiligehavenregels. Dit kan helpen om de Pijler 2-compliance efficiënter in te richten en onnodige berekeningen te voorkomen.