Belastingplan 2027: maatregelen voor (vermogende) particulieren
PrinsjesdagBelastingplan 2027 Welke belastingplannen en fiscale maatregelen zijn er voor (vermogende) particulieren?
Door: Pierre Docx
21 sep 2026 14 min. leestijd

De rode draad is daarmee niet uitsluitend vergroening, maar een bredere afweging tussen investeringsprikkels, betaalbaarheid, concurrentiekracht en uitvoerbaarheid. Tegelijk verschuift de aandacht van voorbereiding naar uitvoering: CBAM is inmiddels operationeel, de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) krijgt ruimere toezichtsmogelijkheden en ondernemingen moeten fiscale, operationele en duurzaamheidsdata steeds beter op elkaar laten aansluiten.
Hieronder zetten wij de belangrijkste voorgestelde wijzigingen en aandachtspunten voor ondernemingen uiteen.
De maatregelen zijn nog onder voorbehoud van parlementaire behandeling.
Belangrijkste fiscale investeringsprikkels vanaf 2027
| Regeling | Huidig | Voorgesteld per 2027 |
|---|---|---|
|
Energie-investeringsaftrek
|
40% aanvullende aftrek
|
45,5% aanvullende aftrek
|
|
Forfaitaire innovatiebox
|
25% van de winst, maximaal € 25.000
|
Maximum € 100.000; toepassing maximaal drie jaar
|
|
Innovatieboxtarief
|
Effectief 9%
|
Ongewijzigd
|
De energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert investeringen in aangewezen energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie. Voorgesteld wordt het aanvullende aftrekpercentage per 1 januari 2027 te verhogen van 40% naar 45,5%. De maatregel maakt deel uit van het pakket Acties Weerbaarheid Energieschok en moet verduurzaming stimuleren, de weerbaarheid tegen energieschokken vergroten en de afhankelijkheid van buitenlandse energie verminderen. Ondernemingen kunnen daarom beoordelen of geplande investeringen voor het hogere percentage kwalificeren en of fasering naar 2027 bedrijfseconomisch en fiscaal verantwoord is. De verhoging past naar verwachting binnen het bestaande EIA-budget en leidt niet tot een budgetverhoging.
De innovatiebox maakt het mogelijk voordelen uit kwalificerende, zelfontwikkelde immateriële activa, zoals nieuwe producten, processen of software, effectief tegen 9% te belasten in plaats van tegen het reguliere vennootschapsbelastingtarief van maximaal 25,8%. Voor het mkb kan het innovatieboxvoordeel gedurende maximaal drie jaar forfaitair worden bepaald op 25% van de winst. Het huidige maximum van € 25.000 is sinds de invoering in 2013 niet aangepast en weegt in de praktijk niet altijd op tegen de uitvoeringskosten. Voorgesteld wordt dit maximum per 1 januari 2027 te verhogen naar € 100.000. Daarmee kan de regeling voor innovatieve mkb-bedrijven eenvoudiger en aantrekkelijker worden. Ondernemingen met kwalificerende immateriële activa moeten beoordelen of het verhoogde forfait gunstiger is dan een reguliere toerekening van voordelen aan de innovatiebox.
Naast de fiscale wijzigingen bevat het Prinsjesdagpakket verschillende budgettaire faciliteiten die innovatie, energiezekerheid, verduurzaming en ontwikkeling ondersteunen. Deze instrumenten lopen uiteen van fiscale stimulansen voor speur- en ontwikkelingswerk tot subsidies voor duurzame energie, industriële klimaatmaatregelen en scholing. De hieronder genoemde bedragen en openstellingen maken deel uit van de begrotingsvoornemens voor 2027 en zijn daarmee nog afhankelijk van de verdere parlementaire behandeling.
Voor de WBSO is in 2027 een budget van € 1,968 miljard voorzien. De tarieven blijven gelijk aan die van 2026: 36% over de eerste € 391.020 van de totale S&O-grondslag, met voor starters een verhoogd tarief van 50% over die eerste schijf, en 16% over het meerdere. Daarmee blijft de WBSO een stabiele fiscale basisfaciliteit voor ondernemingen die investeren in technisch speur- en ontwikkelingswerk.
Daarnaast trekt het kabinet in 2027 € 6 miljard uit voor subsidies op het gebied van energiezekerheid en verduurzaming voor bedrijven en huishoudens. Daarvan is € 1,6 miljard bestemd voor de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), waarmee bedrijven worden ondersteund bij investeringen in hernieuwbare energie en CO₂-reductie.
Omdat nieuwe Europese regelgeving bepaalt dat operationele steun voor projecten voor hernieuwbare elektriciteit niet langer via de huidige SDE++ mag worden verleend, is voor 2027 de eerste openstelling voorzien van tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen, oftewel Contracts for Difference (CfD’s). Dit instrument moet projecten voor zon-pv en wind op land, die voorheen onder de SDE++ vielen, blijven ondersteunen en zo de verdere uitrol van hernieuwbare elektriciteit waarborgen.
Voor huishoudens is via de Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) in 2027 € 499 miljoen beschikbaar, onder meer voor de aanschaf van warmtepompen en het treffen van isolatiemaatregelen.
Ook de energie-intensieve industrie en ondernemers die willen investeren in klimaatmaatregelen ontvangen gerichte ondersteuning. Voor de regeling Indirecte emissiekosten ETS (IKC ETS) is € 574 miljoen beschikbaar en voor de regeling Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie (VEKI) € 132 miljoen. Daarnaast wordt de energiebesparingsplicht vanaf 2027 aangepast om energiebesparing verder te stimuleren en tegelijkertijd de regeldruk voor bedrijven en instellingen te verminderen.
Voor groen gas en andere duurzame koolstofdragers wordt gewerkt aan een herijking van het Programma Groen Gas. Binnen dit kader wordt aanvullend beleid ontwikkeld, waaronder een subsidie via de Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) voor vergassingsprojecten.
Ook voor energie-innovatie blijven verschillende regelingen beschikbaar. Voor de Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatieregeling (MOOI), de Energie- en Klimaatonderzoek en Ontwikkelingsregeling (EKOO) en de Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatieregeling (DEI+) staan voor de komende jaren openstellingen gepland.
Tot slot blijft ook leren en ontwikkelen in het mkb onderdeel van het pakket. Via de Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen (SLIM) wil het kabinet een structurele leercultuur binnen het mkb bevorderen; hiervoor is in 2027 € 79,2 miljoen beschikbaar. Daarnaast bestaat de tijdelijke SLIM-scholingssubsidie voor opleidingen in maatschappelijk cruciale sectoren. In 2027 kunnen uitsluitend individuele werkgevers deze subsidie nog aanvragen en is hiervoor € 31 miljoen beschikbaar.
De voorgenomen bijmengverplichting groen gas leidt tot extra kosten voor glastuinbouwbedrijven. Daarom wordt voorgesteld de sector in 2027 via lagere energiebelastingtarieven te compenseren.
Energiebelasting glastuinbouw 2027, per m³
| Verbruiksschijf | Basispad 2027 | Verlaagd tarief 2027 | Verschil |
|---|---|---|---|
|
0 - 170.000 m³
|
€ 0,22224
|
€ 0,18020
|
€ 0,04204 lager
|
|
170.000 - 1.000.000 m³
|
€ 0,18085
|
€ 0,16038
|
€ 0,02047 lager
|
|
1.000.000 - 10.000.000 m³
|
€ 0,22269
|
€ 0,12025
|
€ 0,10244 lager
|
|
Meer dan 10.000.000 m³
|
€ 0,05444
|
€ 0,05444
|
Ongewijzigd
|
De compensatie geldt uitsluitend als de bijmengverplichting per 1 januari 2027 daadwerkelijk in werking treedt. In het voorjaar van 2027 besluit het kabinet, in samenhang met de herijking van de netto CO₂-prijs en het instrumentarium richting 2040, over compensatie na 2027 en de inzet van middelen uit het Klimaat- en energiefonds. Glastuinbouwbedrijven moeten daarom verschillende energiescenario’s doorrekenen en rekening houden met onzekerheid na 2027.
Daarnaast wordt verduidelijkt wie belastingplichtig is voor de CO₂-heffing glastuinbouw wanneer het glastuinbouwbedrijf wordt gedreven via een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap of vennootschap onder firma. De belastingplicht rust op degene die het glastuinbouwbedrijf als onderneming drijft. Bij een personenvennootschap is daarom de personenvennootschap zelf belastingplichtig en wordt de heffing niet toegerekend aan de achterliggende maten of vennoten. De wijziging verandert niets aan de grondslag of de hoogte van de heffing, maar biedt duidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor de aangifte, betaling en administratie. Personenvennootschappen in de glastuinbouw moeten controleren of deze verantwoordelijkheden intern en in hun fiscale processen correct zijn belegd.
De belasting op leidingwater stijgt per 1 januari 2027 met € 0,10, van € 0,437 naar € 0,537 per kubieke meter. Het primaire doel is een structurele extra opbrengst van naar verwachting € 111 miljoen; daarnaast ontstaat een beperkte extra prikkel tot waterbesparing. De verhoging valt samen met een bredere heffingsgrondslag: het plafond stijgt in 2026 van 300 m³ naar 50.000 m³ per aansluiting en vervalt vanaf 2027 volledig. De grondslag wordt beperkt tot water van drinkwaterkwaliteit en de uitzondering voor leveranciers met minder dan 1.000 aansluitingen vervalt. Vooral grootverbruikers moeten de gecombineerde lastenstijging in hun budgetten verwerken en beoordelen waar waterbesparing of hergebruik technisch en economisch haalbaar is.
Voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) wordt voorgesteld de aanscherping van de CO₂-heffing industrie geleidelijker in te voeren. De AVI-correctiefactor blijft aflopen van 0,85 in 2026 naar nihil in 2035, maar het tariefpad wordt ten opzichte van de eerder voorziene maatvoering gematigd.
Tariefpad CO₂-heffing voor AVI’s, prijspeil 2026
| Jaar | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2035 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Tarief per ton CO₂
|
€ 104
|
€ 126
|
€ 148
|
€ 170
|
€ 193
|
€ 304
|
|
AVI-correctiefactor
|
0,85
|
0,70
|
0,55
|
0,40
|
0,25
|
0
|
AVI’s krijgen hierdoor meer tijd voor verduurzaming en het pad sluit beter aan op de vertraging van infrastructuur voor CO₂-opslag, waaronder Aramis. Tegelijk blijft richting 2035 een stevige prikkel bestaan voor CO₂-afvang en -opslag en voor betere afvalscheiding.
Ook het eerder voorziene hogere tarief van de afvalstoffenbelasting wordt gematigd. Het nieuwe tariefpad behoudt een deel van de beoogde budgettaire opbrengst, maar beperkt de negatieve effecten voor AVI’s, recyclers en afvalontdoeners.
Voorgesteld tarief afvalstoffenbelasting
| Jaar | 2027 | 2028 | 2029 | Vanaf 2030 |
|---|---|---|---|---|
|
Tarief per ton afval
|
€ 40,85
|
€ 64
|
€ 71
|
€ 81
|
Het structurele tarief van € 81 blijft duidelijk onder de eerder voorziene € 117,10, maar ligt nog steeds aanzienlijk boven het huidige niveau. De aanpassing beperkt het verschil in lastendruk tussen binnenlandse en buitenlandse afvalverbranding, verkleint het risico op afvalexport en biedt AVI’s meer investeringszekerheid. Ook wordt de lastenstijging voor recyclers met te verbranden of te storten recyclingresidu beperkt. Voor afvalontdoeners blijven hogere verwerkings- en poorttarieven een prikkel om restafval te verminderen en beter te scheiden. Verwerk het herziene tariefpad daarom in meerjarige contracten, investeringsbeslissingen en afvalreductieplannen.
Daarnaast worden de verwijzingen in de afvalstoffenbelasting naar de Europese verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) geactualiseerd. De EVOA 2006 is per 21 mei 2026 vervangen door de EVOA 2024, die procedures en controles voor grensoverschrijdende afvaltransporten regelt. De Nederlandse wet verwijst voortaan naar deze nieuwe verordening. Inhoudelijk blijft gelden dat afvalstoffenbelasting verschuldigd is wanneer afval van Nederlandse oorsprong naar het buitenland wordt overgebracht om daar te worden verwijderd. Ondernemingen die afval exporteren of grensoverschrijdende afvalstromen begeleiden, moeten hun vergunningen, procedures en fiscale documentatie toetsen aan de EVOA 2024.
Het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) is sinds 1 januari 2026 volledig operationeel. Het mechanisme beprijst de ingebedde CO₂-uitstoot van bepaalde goederen die van buiten de Europese Unie worden ingevoerd. Daarmee beoogt de EU-koolstoflekkage te voorkomen, het concurrentieverschil met Europese producenten te verkleinen en derde landen te stimuleren vergelijkbare klimaatmaatregelen te treffen. De inhoudelijke verplichtingen volgen rechtstreeks uit Europese regelgeving, maar moeten nationaal uitvoerbaar en handhaafbaar worden gemaakt. Na eerdere wetswijzigingen per 1 oktober 2023 en 1 januari 2026 is door nieuwe Europese regelgeving verdere operationalisering nodig.
De voorgestelde wijzigingen geven de Nederlandse Emissieautoriteit een expliciete wettelijke basis om aanvullende CBAM-verplichtingen te controleren en bij overtredingen handhavend op te treden. Het gaat onder meer om meldplichten bij relevante wijzigingen, verplichtingen nadat de status van toegelaten CBAM-aangever is ingetrokken en regels voor de ontvangst van CBAM-goederen in de Nederlandse exclusieve economische zone. Daarnaast kan de NEa in specifieke gevallen lagere boetes opleggen wanneer de nieuwe Europese regelgeving daarvoor ruimte biedt. Ook komt er een grondslag voor gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst en de NEa. De NEa kan daarmee de gegevens ontvangen die nodig zijn om te beoordelen of aan een importeur de status van toegelaten CBAM-aangever kan worden toegekend en om vervolgens gericht toezicht te houden op de naleving van de CBAM-verplichtingen.
Voor importeurs verschuift de aandacht daarmee van voorbereiding naar aantoonbare beheersing. Zij moeten wijzigingen tijdig melden, hun status als toegelaten CBAM-aangever bewaken, emissiegegevens en onderliggende documentatie controleerbaar vastleggen en verantwoordelijkheden tussen douane, inkoop, duurzaamheid en finance helder beleggen. Periodieke aansluiting tussen douaneaangiften, de CBAM-administratie en leveranciersinformatie is noodzakelijk, omdat de ruimere gegevensuitwisseling gerichter toezicht mogelijk maakt.
Meer achtergrond over de invoering en nationale uitvoering van CBAM lees je in ons eerdere CBAM-artikel.
Tijdelijke lastenverlichting mobiliteit
| Maatregel | Periode | Wijziging |
|---|---|---|
|
MRB-bestelauto’s van ondernemers
|
1 juli - 31 december 2026
|
50% verlaging van het reguliere lagere tarief
|
|
MRB-vrachtauto’s
|
1 juli - 31 december 2026
|
Nihiltarief
|
|
Vrachtwagenheffing
|
1 september - 31 december 2026
|
22,3% korting; gemiddeld € 0,148 in plaats van € 0,191 per km
|
De maatregelen maken deel uit van het pakket Acties Weerbaarheid Energieschok en zijn, vooruitlopend op de wetgeving, via beleidsbesluiten toegepast. Zij ondersteunen ondernemers en vervoerders die sterk afhankelijk zijn van wegvervoer, zonder de prikkel tot efficiënt brandstofgebruik weg te nemen. Het wetsvoorstel codificeert deze tijdelijke werkwijze. De vrachtwagenheffing geldt sinds 1 juli 2026 voor binnen- en buitenlandse vrachtauto’s van meer dan 3.500 kg op aangewezen wegen.
Voor ondernemers met bestelauto’s en transportbedrijven is het belangrijk om de tijdelijke MRB-verlagingen en de korting op de vrachtwagenheffing correct in de kostenprognoses voor 2026 te verwerken. Controleer per voertuig wanneer het verlaagde tarief ingaat, of aan de voorwaarden wordt voldaan en welk effect de kilometerheffing heeft op administratie, marges en klantprijzen. Omdat de tegemoetkomingen eind 2026 aflopen, blijft een meerjarige Total Cost of Ownership-berekening essentieel.
De tijdelijke accijnskorting op brandstoffen wordt in 2027 voortgezet om de kosten van autorijden te beperken. Het benzinetarief bedraagt per 1 januari 2027 € 850,08 per 1.000 liter, tegenover € 844,69 in 2026. Hoewel het nominale tarief stijgt, wordt de korting door het achterwege laten van volledige indexatie per saldo ruimer. Via een nota van wijziging wordt voorgesteld ook de tijdelijke accijnskorting op diesel in 2027 te verlengen. Vanaf 2028 worden de kortingen op benzine en diesel geleidelijker afgebouwd, waardoor de tarieven minder snel stijgen dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel. Ondernemingen met omvangrijke wagenparken of transportactiviteiten moeten zowel de tijdelijke verlenging als de latere afbouw verwerken in hun brandstofbudgetten, mobiliteitsbeleid en meerjarige TCO-berekeningen.
Daarnaast wordt voorgesteld de teruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen te beëindigen. Deze regeling biedt momenteel een gedeeltelijke teruggaaf van accijns voor motorbrandstoffen met duurzaam geproduceerde biobrandstoffen of hernieuwbare brandstoffen. Daarmee wordt het accijnsnadeel gecompenseerd dat ontstaat doordat deze brandstoffen per liter doorgaans een lagere energie-inhoud hebben dan fossiele brandstoffen, terwijl hetzelfde reguliere accijnstarief geldt. Volgens het kabinet wegen de uitvoeringsnadelen inmiddels zwaarder dan het beperkte effect van de regeling: zij is complex, arbeidsintensief en foutgevoelig, terwijl het gebruik met ongeveer zestien aanvragen gering is. Leveranciers en gebruikers die de teruggaaf toepassen, moeten daarom rekening houden met een hogere effectieve accijnsdruk en hun prijsstelling, contracten en brandstofkeuzes tijdig heroverwegen.
Vanaf 2027 wordt de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand en eindbestemming. Voorgesteld wordt het hoge tarief voor langeafstandsvluchten te verlagen van € 70,86 naar € 59,43 per vertrekkende passagier, gelijk aan het hoge Duitse tarief in prijspeil 2027. Daarmee wil het kabinet de kosten voor luchtvaartmaatschappijen op Nederlandse luchthavens beperken, mogelijke grenseffecten verminderen en het speelveld met omliggende landen gelijker maken. De maatregel sluit bovendien aan bij het streven naar een geharmoniseerde Europese vliegbelasting. De verlaging geldt echter uitsluitend voor de hoogste afstandscategorie; maatschappijen met alleen korte- of middellangeafstandsvluchten profiteren niet. Ook wordt het oorspronkelijke doel om externe luchtvaartkosten sterker te beprijzen deels afgezwakt. Organisaties met veel intercontinentale reizen moeten hun reisbudgetten en mobiliteitsbeleid daarom actualiseren, met behoud van aandacht voor de bredere afstandsafhankelijke tariefstructuur.
Voor de afstandsafhankelijke vliegbelasting is de eindbestemming in beginsel de luchthaven waar de reis volgens de vervoersovereenkomst eindigt. In de praktijk bestaat echter niet altijd een vervoersovereenkomst, bijvoorbeeld bij een privévlucht met een eigen vliegtuig. Voorgesteld wordt daarom dat de eindbestemming in zulke gevallen aan de hand van het vliegplan kan worden aangetoond. Zonder deze aanpassing zou bij het ontbreken van een vervoersovereenkomst steeds het hoogste tarief gelden. Exploitanten en organisatoren van privé- en andere niet-reguliere vluchten moeten daarom zorgen dat het vliegplan de eindbestemming eenduidig vastlegt en beschikbaar is voor de onderbouwing van het toepasselijke tarief.
Meer info vind je in ons artikel over de Wet vliegbelasting.
Meer inzichten? Lees verder in ons artikel Belastingplan 2027: belangrijke wijzigingen voor internationale bedrijven.
Het Belastingplan 2027 vraagt om meer dan het verwerken van nieuwe tarieven. Ondernemingen moeten tijdelijke tegemoetkomingen onderscheiden van structurele lasten, investeringsmomenten opnieuw beoordelen en verantwoordelijkheden voor aangifte, data en toezicht helder beleggen. De financiële en operationele impact verschilt sterk per sector, maar raakt in het bijzonder mobiliteit, energie, innovatie, watergebruik, afvalstromen en CBAM.
Ons Sustainable Tax-team helpt graag om de voorgestelde wijzigingen te vertalen naar concrete keuzes, robuuste processen en tijdige acties.
Belastingplan 2027 Welke belastingplannen en fiscale maatregelen zijn er voor (vermogende) particulieren?
Belastingplan 2027: Welke belastingplannen en fiscale maatregelen zijn er voor energie en milieu?
Belastingplan 2027: Welke belastingplannen en fiscale maatregelen zijn er voor auto en mobiliteit?