NL EN
Belastingen

Wet DBA blijft tot 2020 in de ijskast, wat nu te doen?

Drs. Cor Overduin Drs. Cor Overduin

De handhaving van de Wet DBA wordt tot 1 januari 2020 uitgesteld. En pas per 1 januari 2020 volgt nieuwe wetgeving. Al vanaf het begin, 1 mei 2016, kent de Wet DBA een bijzonder rumoerige geschiedenis. Wat betekent deze wijziging voor u als ondernemer? En waar moet u rekening mee houden?

Door de massale commotie had de regering geen andere keus om de handhaving van de Wet DBA op een heel laag pitje te zetten. In november 2016 werd besloten om de handhaving van de wet uit te stellen tot 1 januari 2018. Later is die termijn sowieso al verlengd tot 1 juli 2018. Op vrijdag 9 februari jl. kwam dan eindelijk nader bericht over de Wet DBA.

Degenen die hoopten op een duidelijke uitwerking van wat in het regeerakkoord ('Vertrouwen in de toekomst') als oplossing is beschreven, kwamen bedrogen uit. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën schrijven dat er 1 januari 2020 pas nieuwe wetgeving komt. Bovendien garanderen zij niet dat die datum ook echt gehaald wordt. Dus wie weet, duurt het nog langer.

In hun brief maken de bewindslieden duidelijk dat het een hele klus is om het regeerakkoord op dit punt om te zetten in wetgeving. Ook gaat er nog uitgebreid overlegd worden met allerlei marktpartijen. De uitkomsten van dat overleg worden dan meegenomen bij de aanpassingen.

Driedeling arbeidsmarkt

In het regeerakkoord is te lezen dat er een driedeling komt. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt is altijd sprake van loondienst. Voor een grote middengroep is het idee dat er een opdrachtgeversverklaring komt. En tot slot bestaat aan de bovenkant van de arbeidsmarkt de mogelijkheid om sowieso als zelfstandige te worden aangemerkt.

Drie belangrijke hoofdlijnen uit de brief van 9 februari 2018

  1. De handhaving wordt opnieuw nader uitgesteld, nu tot - in ieder geval - 1 januari 2020.
  2. De aanpak om te komen tot nieuwe wetgeving.
  3. Het aanpakken van kwaadwillenden wordt verscherpt.

Handhaving Wet DBA uitgesteld tot 1 januari 2020

Een gezegde luidt: van uitstel komt afstel. Officieel zijn we bij de Wet DBA nog niet zo ver, maar feitelijk komt het hier wel op neer. De Wet DBA zal dus ooit een opvolger krijgen. Tot die tijd is de wet wel officieel van kracht, maar wordt deze niet gehandhaafd. De periode van niet-handhaven duurt minstens ruim drie jaar! En dat bij een wet die een lange ontstaansgeschiedenis kent en waarvan je dus verwacht dat die uitgebalanceerd en goed doordacht is. Na een half jaar van kracht te zijn geweest, is onder grote maatschappelijke druk de stekker er uit gehaald.

In de brief wordt wederom overleg met de marktpartijen beloofd. Een deel twee dus, nadat in januari 2018 vele brancheorganisaties, koepels etc. hun zegje mochten doen. Een tweede sessie zal niet helpen. De marktpartijen zijn sterk verdeeld en iedereen bepleit graag zijn eigen gelijk.

Aanpak voor nieuwe wetgeving

Ondertussen mogen we bij wijze van voorproefje, want daar zou geen wetswijziging voor nodig zijn, een verduidelijking van het begrip 'gezagsverhouding' verwachten. Hierbij wordt gewacht tot er input van marktpartijen komt. De vraag is dan ook of die verduidelijking er komt. Het begrip 'gezagsverhouding' heeft gedurende tientallen jaren allerlei uitspraken van rechters opgeleverd en in dat grijze gebied kun je niet opeens een soort simpele benadering formuleren waarmee veel problemen zijn opgelost. Als de wet wordt gewijzigd, kan dat misschien anders worden omdat dan andere voorwaarden geformuleerd worden. Maar we moeten nou juist lezen dat er ook voor de periode tot 1 januari 2020 verduidelijking mogelijk is. We laten ons graag verrassen, zoals dat dan heet.

De aanpak van kwaadwillenden

Op het vlak van de kwaadwillenden is het vuurtje opgestookt. Kwaadwillenden mogen (terecht) niet profiteren van het niet-handhaven van de Wet DBA. Daarom is steeds gezegd dat de zogenoemde evidente kwaadwillenden hard worden aangepakt. Deze groep wordt nu uitgebreid met zogenoemde 'andere' kwaadwillenden. Dat zijn partijen die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan. Hierbij heeft de belastingdienst een zware bewijslast.

Opmerkelijk is dat de Wet DBA juist de ruimte biedt om de andere kwaadwillenden een ontsnapping te bieden. Wie namelijk de zogenoemde fictieve dienstbetrekkingen schriftelijk contractueel uitsluit, maakt het de belastingdienst erg lastig om te bewijzen dat er een dienstbetrekking is. Het is de vraag of kwaadwillenden bij de handhaving ook echt hard aangepakt worden.

Wat betekent het praktisch?

Iedereen die te goeder trouw is, moet tot 1 januari 2020 geen of weinig problemen ondervinden. De zzp'er en diens opdrachtgever moeten er van uit kunnen gaan dat de arbeidsverhouding wordt gerespecteerd en geaccepteerd. Degenen die niet te goeder trouw maar kwaadwillend zijn, moeten vanaf nu nog meer vrezen dat zij door de belastingdienst hard worden aangepakt.

3 aspecten die voor vragen zorgen

Maar er is meer. Zo blijven er, zelfs tijdens een toezegging dat er niet gehandhaafd word, nog veel onduidelijkheden. Onderstaand formuleer ik een aantal aspecten die nog steeds voor vragen (kunnen) zorgen:

  1. Kwalificatie van de inkomsten in een aangifte inkomstenbelasting.
    Ik sluit niet uit dat de belastingdienst bij het beoordelen van aangiften inkomstenbelasting van mening is dat er geen sprake is van ondernemerschap/zelfstandigheid.
  2. Kwalificatie voor de omzetbelasting.
    De hele Wet DBA richt zich sterk op de loon- en inkomstenbelasting en de premies sociale verzekeringen. Maar wat zijn de gevolgen voor de btw? Als blijkt dat een relatie toch loondienst is, welke doorwerking heeft dat dan naar de btw? En ook hier: ik sluit niet uit dat de belastingdienst bij het beoordelen van ondernemerschap voor de btw tot een andere conclusie komt dan de zzp'er en/of zijn opdrachtgever.
  3. Fiscaal 'in control' zijn vereist 100 procent duidelijkheid, maar bij niet-handhaven ben ik als opdrachtgever nog steeds niet volledig zeker.
    Er zijn opdrachtgevers die wars zijn van (grote) fiscale risico's. Zij wensen volledige duidelijkheid en zekerheid vooraf. Ook in de sfeer van het inhuren van externe arbeidskrachten. Bij een situatie van niet-handhaven is niet duidelijk of er wel of geen risico bestaat dat de ingehuurde zzp'er in loondienst is. Voor diverse opdrachtgevers is onduidelijkheid onacceptabel. Dus wordt gekozen voor zekerheid vooraf. Dat is wel een dure route. Alles heeft zo zijn prijs. Er komen vaak uitzendbureaus of payrolling constructies aan te pas.

Wordt het probleem straks echt opgelost?

Een echte oplossing biedt het voorstel uit het regeerakkoord niet. Zo lang er niets wordt gedaan aan de kloof tussen zelfstandigen en werknemers, in de sfeer van kosten van arbeid en van de rechtspositie, blijft er teveel spanning zitten op de arbeidsmarkt. De kloof moet kleiner worden, alleen dan komt er een structureel betere situatie. Zolang een werkgever bij ziekte twee jaar loon moet doorbetalen, hoge premies voor sociale verzekeringen, pensioen etc. moet betalen en je anderzijds een zelfstandige hebt die door allerlei fiscale aftrekposten veel minder belasting betaalt dan een werknemer, is het dweilen met de kraan open.

In de politiek is het natuurlijk lastig manoeuvreren. De afgelopen jaren is het aantal zzp'ers enorm gegroeid. Welke partij is bereid om deze bijzonder divers samengestelde groep tegen de haren in te strijken? Het afpakken van fiscale voordelen is geen populaire maatregel om meer kiezers te winnen. Hoe dan ook, als de kloof niet kleiner wordt, blijft de flexibilisering van de arbeidsmarkt een bijzonder groot probleem.

Voorts is en blijft cruciaal dat partijen vooraf duidelijkheid hebben over de gevolgen van hun arbeidsverhouding. Alleen als die zekerheid er is, doen mensen zaken met elkaar. Die oude VAR was zo gek nog niet...

Gerelateerde artikelen