HvJ-EU bevestigt ruime uitleg begrip VI

HvJ-EU bevestigt ruime uitleg begrip VI

Aiki Kuldkepp
Door:
insight featured image
Het Europese Hof van Jusititie (HvJ-EU) heeft in de btw-zaak C-333/20 (Berlin Chemie) het begrip vaste inrichting (VI) voor btw-doeleinden verduidelijkt. HvJ-EU geeft aan dat het voor een VI niet vereist is dat een rechtspersoon over eigen personeel en technische middelen beschikt als de entiteit de middelen van een derde kan gebruiken alsof zij hiervan eigenaar is. Hiermee bevestigt het HvJ-EU de ruime uitleg van het begrip VI. Wat zijn de belangrijkste aspecten voor het bepalen van het bestaan van een VI?
Onderwerpen

Wat speelde er?

In een eerdere uitspraak in C 931/19 (Titanium) koos het HvJ-EU voor een strikte uitleg van het begrip VI. Hierin stelde zij namelijk dat voor de oprichting van een VI eigen personeel vereist is.

Een Duits farmaceutisch bedrijf Berlin Chemie AG (BC) contracteerde zijn Roemeense (klein)dochteronderneming om verschillende marketing- en representatiediensten te verlenen. BC was de enige klant van deze dochteronderneming en had volgens de verwijzende rechter permanent toegang tot haar technische en personele middelen die BC voor economische activiteiten nodig had.

De diensten die de dochteronderneming aan BC verleende, waren vooral bedoeld om informatie te verstrekken over farmaceutische producten die BC verkocht. Het personeel van de Roemeense onderneming nam alleen bestellingen aan van distributeurs van geneesmiddelen in Roemenië en stuurde deze door naar BC. Daarnaast stuurde zij facturen van BC naar haar klanten in Roemenië. De dochteronderneming was dus niet direct betrokken bij de verkoop en levering van farmaceutische producten en zij ging in naam van BC geen verbintenissen aan met derden.

De Roemeense belastingdienst was van mening dat door de activiteiten van de dochteronderneming van BC in Roemenië een VI ontstond en de plaats van levering dus Roemenië. Hierdoor was de dochteronderneming, op grond van artikel 44 van de btw-richtlijn van de EU, Roemeense btw verschuldigd over de diensten.

Kan dochteronderneming/afzonderlijke rechtspersoon VI zijn?

Het HvJ-EU oordeelde in eerdere zaken over het begrip VI (Dong Yang C 547/18 en Welmory C 605/12) dat een (afzonderlijke) juridische entiteit een VI van een andere (geassocieerde) juridische entiteit kan zijn.

Daarnaast stelt het HvJ-EU dat de kwalificatie van een inrichting als VI niet alleen afhangt van de rechtspositie van de betrokken entiteit en bevestigt daarmee dat een dochteronderneming een VI voor btw-doeleinden kan zijn wanneer de moedermaatschappij in een ander land is gevestigd.

Volgens het HvJ-EU hoeft uw vennootschap niet over eigen personele en technische middelen in een ander land te beschikken. U hoeft voor het bestaan van een VI alleen het recht te hebben om over die middelen te beschikken alsof het uw eigendom is. Bijvoorbeeld door op grond van contracten middelen ter beschikking te stellen aan de onderneming en de contracten niet op korte termijn op te kunnen zeggen.

In Welmory stelde het HvJ-EU al dat personeel en technische middelen van een andere entiteit voldoende zijn om een VI te laten ontstaan en dat de middelen niet van de vennootschap hoeven te zijn. De rechtspersoon hoeft dus niet over eigen personele en technische middelen te beschikken als de entiteit de middelen van de derde op dezelfde manier gebruikt als die van de entiteit zelf.

Moeten middelen van een inkoop-VI het mogelijk maken diensten voor eigen behoeften af te kunnen nemen? Het HvJ-EU verwijst ook naar artikel 11, lid 1, VATR. Hierin is bepaalt dat de inkoop VI voldoende structuur moet hebben zodat zij de aan haar geleverde diensten kan ontvangen en gebruiken voor eigen zakelijke behoeften/economische activiteiten.

Kan VI diensten zowel leveren als ontvangen?

De personele en technische middelen die haar dochteronderneming aan BC ter beschikking stelde en die volgens de Roemeense belastingdienst het bestaan van een VI van BC in Roemenië mogelijk maakten, zijn ook de middelen waarmee de Roemeense dochteronderneming de diensten levert naar BC. Hierdoor is de dochteronderneming VI in Roemenië zowel de leverancier als de ontvanger van deze diensten. Dit kan niet. U mag dezelfde middelen niet gebruiken om dezelfde diensten zowel te verlenen als te ontvangen.

Dit laatste is een belangrijk nieuw aspect bij het bepalen of een VI ontstaat. Het is niet eerder genoemd door het HvJ-EU.

Wat besluit HvJ-EU?

Het HvJ-EU concludeerde dat de Duitse vennootschap BC geen VI heeft in Roemenië, omdat zij in dat land geen structuur heeft om daar diensten van haar dochteronderneming te ontvangen en gebruiken voor de doeleinden van haar economische activiteit: het verkopen van farmaceutische producten.

Wanneer moet u hierover nadenken?

Het HvJ-EU geeft belangrijke richtlijnen over hoe u het bestaan van een VI moet vaststellen. Ook al gaat het in de uitspraak over het bestaan van een VI wanneer de entiteit bepaalde marketing- en representatiediensten ontvangt, kan de uitspraak bredere implicaties hebben.

Het bestaan van een VI is zeer relevant als u B2C levert en ook als u B2B-diensten verleent (bijvoorbeeld voor de plaats van levering en de verleggingsproblematiek) en levering van goederen (bijvoorbeeld voor de toepassing van de EU-call-off stock vereenvoudiging).

U moet overwegen of er een risico (of kans) bestaat dat de Belastingdienst een andere juridische entiteit als uw VI beschouwt. Stel uzelf de vraag: kan een afzonderlijke juridische entiteit als bedrijf over uw personele en technische middelen beschikken alsof zij eigenaar van deze middelen is? Dezelfde middelen kan u echter niet gebruiken om zowel de diensten te verlenen als te ontvangen.

Wat betekent deze beslissing voor u?

Na de uitspraak van het HvJ-EU in de zaak Titanium bleek dat het HvJ-EU een beperkte uitleg gaf voor het begrip VI door te stellen dat eigen personeel nodig is om een VI op te richten. Het HvJ-EU bevestigt echter in de laatste zaak een bredere benadering die voortvloeit uit de uitspraken in de zaken Dong Yang en Welmory. Het HvJ-EU bevestigt dus dat het voor de oprichting van een VI niet vereist is dat een rechtspersoon over eigen personele en technische middelen beschikt als de middelen van de derde door de entiteit op dezelfde manier worden gebruikt als die van de entiteit zelf. Dit betekent dat bijvoorbeeld door het inhuren van personeel van een externe dienstverlener of een dochteronderneming onder bepaalde voorwaarden een VI kan ontstaan.

Meer informatie?

Wilt u hier meer gedetailleerde informatie over, neem dan contact met ons op.