Healthcare

Zorgverlener heeft recht op VAR-WUO

Rechtbank Gelderland heeft in zijn uitspraak van 15 december 2015 (welke overigens pas op 19 januari 2016 is gepubliceerd) een oordeel gegeven over de fiscale positie van een kraamverzorgster. In de uitspraak komt een aantal interessante fiscale aspecten aan bod. In dit artikel leest u welke fiscale aspecten dit zijn.

De casus

De kraamverzorgster verleende, door tussenkomst van een bemiddelingsbureau, kraamzorg in natura. Het bemiddelingsbureau is een zogenoemde WTZi-toegelaten zorgaanbieder die op grond daarvan kraamzorg in natura mag (laten) verlenen en contracten kan sluiten met verzekeraars.

Tussen het bemiddelingsbureau en de kraamverzorgster is een overeenkomst afgesloten, waarin onder andere de tarieven, gestelde kwaliteitseisen en administratieve voorschriften zijn opgenomen. Daarnaast is tussen het bemiddelingsbureau en de cliënten een bemiddelingsovereenkomst gesloten. Tussen de kraamverzorgster en de cliënten bestaat geen contractuele relatie. De kraamverzorgster factureert aan het bemiddelingsbureau, heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten en maakt (op verschillende wijzen) reclame.

Het geschil: recht op VAR-WUO?

In het geschil is het antwoord op de vraag of de kraamverzorgster voor het jaar 2014 recht had op een VAR-WUO. De discussie ziet zowel op de fiscaalinhoudelijke rechtsvraag (is in casu sprake van winst uit onderneming?) als op de toepassing van algemene rechtsbeginselen (het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel).
Het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel in deze zaak speelden een (hele) kleine rol en laten wij daarom buiten beschouwing.

Oordeel Rechtbank

Het oordeel van de Rechtbank is opgedeeld in een aantal aspecten:

Winst uit onderneming

In het kader van de vraag ‘is in casu sprake van winst uit onderneming?’ merkt de Rechtbank op dat hieronder tevens wordt verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep en verwijst in dat kader (onder andere) naar een arrest van de Hoge Raad van 16 september 1992 .

Het is (op grond van dit arrest) van belang dat de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening worden verricht en daarbij tevens ondernemersrisico wordt gelopen. Bij de beoordeling of sprake is van (voldoende) ondernemersrisico is van belang of de belastingplichtige voor de verwerving van opbrengsten afhankelijk is van het zelfstandig aantrekken en behouden van klanten, alsook of reële beroepsrisico’s worden gelopen ter zake van investeringen of debiteuren.

Ook verwijst de Rechtbank naar de Wet toelating zorginstellingen, op basis waarvan kraamzorg slechts kan worden verleend door instellingen die daarvoor een WTZi-toelating hebben. Vaststaat dat de kraamverzorgster niet beschikt over een dergelijke toelating, geen contract(en) heeft met verzekeraars en daarom niet beschikt over een zelfstandig declaratierecht. Op grond hiervan concludeert de Rechtbank dat de kraamverzorgster niet onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening kraamzorgwerkzaamheden aan de cliënten kan aanbieden.

De Rechtbank oordeelt dat de kraamverzorgster, nu zij geen zelfstandig declaratierecht heeft en geen werkzaamheden verricht door tussenkomst van andere zorgaanbieders, dusdanig afhankelijk is van het bemiddelingsbureau, dat sprake is onvoldoende (voor het ondernemerschap vereiste) zelfstandigheid. Daarnaast is volgens de Rechtbank sprake van een (te) beperkt ondernemersrisico.

Conclusie Rechtbank: kraamverzorgster heeft op grond van de fiscaalinhoudelijke beoordeling geen recht op een VAR-WUO.

Resultaat uit overige werkzaamheden of loon

De Rechtbank beoordeelt vervolgens of aan de kraamverzorgster terecht een VAR-loon is afgegeven. Hierbij acht de Rechtbank van belang dat de kraamverzorgster bij de uitvoering van haar werkzaamheden een grote mate van vrijheid heeft (op het gebied van werktijden, het wel of niet aanvaarden van een opdracht, vervanging en wijze van uitvoering van de werkzaamheden). De door het bemiddelingsbureau opgelegde kwaliteitseisen doet hieraan volgens de Rechtbank niet af, omdat deze tevens voortvloeien uit de wettelijke eisen of tevens door verzekeraars worden opgelegd.

Tenslotte hebben partijen een overeenkomst van opdracht (en geen dienstbetrekking) beoogd. De Rechtbank concludeert dat de inkomsten uit de arbeidsverhouding tussen het bemiddelingsbureau en de kraamverzorgster kwalificeert als resultaat uit overige werkzaamheden.

Conclusie Rechtbank: kraamverzorgster heeft op grond van de fiscaalinhoudelijke beoordeling recht op een VAR-ROW.

Gelijkheidsbeginsel

Tenslotte gaat de Rechtbank nog in op een algemeen rechtsbeginsel, namelijk het gelijkheidsbeginsel. In casu stond vast dat in het jaar 2014 aan 100 andere kraamverzorgsters, zijnde vergelijkbare gevallen, wel een VAR-WUO was verleend. De Rechtbank oordeelt dat hiermee voor het jaar 2014 in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en dat de kraamverzorgster in kwestie op grond hiervan voor het jaar 2014 tevens recht heeft op een VAR-WUO. De inspecteur heeft deze ongelijkheid overigens in het jaar 2015 weer opgeheven.

De Rechtbank merkt hierover op dat dit gegeven niet ertoe leidt dat in het jaar 2014 geen beroep kan worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De Rechtbank bepaalt in dat kader dat de kraamverzorgster vanaf het jaar 2015 recht heeft op een VAR-ROW.

Conclusie Rechtbank: kraamverzorgster heeft op grond van het gelijkheidsbeginsel voor het jaar 2014 recht op een VAR-WUO (vanaf het jaar 2015: VAR-ROW).

Tot slot

Deze uitspraak vormt een onderdeel van de grote golf aan uitspraken omtrent ‘zelfstandige’ zorgverleners in de gezondheidszorg (in natura). Het is duidelijk dat de fiscale duiding van de arbeidsrelatie sterk afhangt van de specifieke feiten en omstandigheden. Had de kraamverzorger in kwestie op grond van de fiscaalinhoudelijke beoordeling wel recht gehad op een VAR-WUO als zij voor meer bemiddelingsbureaus werkzaam was? Wat hier ook van zij, haar ondernemersstatus werd voor het jaar 2014 ‘gered’ door een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Interessant is dat de Rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een dienstbetrekking, maar van resultaat uit overige werkzaamheden. Zeker gelet op het feit dat het aantal gevallen ‘dienstbetrekking’ in de rechtspraak over zorgverleners (in natura) tot op heden de overhand heeft.

Overigens kan de vraag nog worden opgeworpen waarom geen enkel woord wordt gerept over de zogenoemde tussenkomstbepaling, zijnde een vorm van fictief dienstverband, die speciaal is bedoeld voor situaties zoals deze (hierop is onder voorwaarden een uitzondering mogelijk). Heeft de inspecteur deze kaart willens en wetens niet gespeeld of is hij deze vergeten? Overigens zou een succesvol beroep op de tussenkomstbepaling pas vanaf 2015 effectief zijn, gelet op de invloed van het gelijkheidsbeginsel.

Met de komst van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA), die naar verwachting op zeer korte termijn zal worden aangenomen, zal de VAR-systematiek komen te vervallen. In plaats daarvan zal worden gewerkt met (goedgekeurde) modelovereenkomsten. De VAR-rechtspraak zal dan tot het verleden gaan behoren. Echter, de fiscale positie van de (zelfstandige) zorgverlener zal ongetwijfeld de gemoederen nog lang bezig houden.